Niveau Start · Les 3 van 9

Biljetten

Leerdoel Je leert de biljetten kennen en wisselt klein geld om in groot geld en andersom.

Nodig Een werktafel en wat geld

Biljetten zijn papiergeld. Ze zijn voor grotere bedragen: 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500 euro.

Je kunt geld wisselen. Dat is een andere vorm van dezelfde waarde:

  • 2 biljetten van 5 euro = 1 biljet van 10 euro.
  • 1 biljet van 10 euro = 2 biljetten van 5 euro.
  • 1 euro + 2 euro + 2 euro = 5 euro.

Je wordt er niet rijker van, want de waarde blijft gelijk. Alleen het geld ziet er anders uit.

Doe het in het spel

Leg op de werktafel 2 biljetten van 5 euro naast elkaar. Je krijgt 1 biljet van 10 euro. Leg dat biljet van 10 euro daarna alleen op de tafel. Dan krijg je er weer twee van 5 euro.

Reken zelf

1. Je hebt 1 biljet van 20 euro en 1 biljet van 10 euro. Hoeveel euro is dat?

euro

2. Hoeveel biljetten van 10 euro heb je nodig voor 50 euro?

biljetten
Wist je dat?

Eurobiljetten zijn niet van gewoon papier maar van katoen. Daardoor gaan ze lang mee en voelen ze een beetje ruw. Echt geld herken je door te voelen, te kijken en te kantelen.

Tip van Tokkie: Een biljet van 500 euro is heel veel. Gooi je geld nooit zomaar weg, en laat het niet rondslingeren in het spel.

Handig om te weten