Niveau Midden · Les 5 van 9

Wisselgeld

Leerdoel Je leert uitrekenen hoeveel je terugkrijgt, door af te trekken of door “op te tellen”.

Nodig Wat geld en een vriend of vriendin die winkelier speelt

Je koopt een koekje van 7 euro en je betaalt met een biljet van 10 euro. Je krijgt 3 euro terug. Dat heet wisselgeld.

Er zijn twee manieren om het te berekenen:

  • Aftrekken: 10 − 7 = 3.
  • Optellen (zoals winkeliers doen): van 7 tel je door tot 10. 8, 9, 10. Dat zijn 3 stapjes.

Probeer allebei, dan merk je wat jij het fijnste vindt.

Doe het in het spel

Speel winkeltje! De een is de winkelier, de ander de klant. Kies een prijs, betaal met een groter biljet en reken het wisselgeld uit voordat je het teruggeeft.

Reken zelf

1. Een ijsje kost 3 euro. Je betaalt met 5 euro. Hoeveel wisselgeld krijg je?

euro

2. Een boek kost 12 euro. Je betaalt met een biljet van 20 euro. Hoeveel krijg je terug?

euro

3. Een taart kost 4 euro. Je betaalt met 10 euro. Hoeveel krijg je terug?

euro
Wist je dat?

Vroeger moesten alle winkeliers wisselgeld uit hun hoofd uitrekenen, want er waren geen kassa’s die het deden. Daarom waren ze zo goed in rekenen.

Tip van Tokkie: Tel het wisselgeld altijd na voordat je het in je zak steekt!

Handig om te weten